Het perron stroomde vol en de trein bleef weg. De wachtende reizigers tuurden ‘ins blauen Hinein’. De informatie druppelde met de traagheid uit de luidsprekers waarmee de waterdruppels in een druipsteengrot de diepte zoeken. Het hoge woord – vertraging – kwam nooit. De trein van 16.58 uur zou al halverwege zijn rit zijn geweest, maar de tijd bleef star vooruit gaan en verwijderde zich verder en verder van de vertrektijd.

Toen eindelijk, maar dan tien minuten na de vertrektijd van de volgende, een veel te korte trein binnenreed, wist ik het wel. Dat ging nooit passen. En inderdaad paste het niet. Ergens midden op het balkon stond ik vastgeklemd tussen de medereizigers, mijn rugzak tussen mijn voeten in. Een man stond bij de ingang. ‘Als jullie nu een beetje aandrukken’, beweerde hij terwijl ik naar adem hapte. ‘Dan kunnen wij er ook nog bij.’ De gang zette zich in beweging en de man met de grote uilenbril kon er ook bij.

De machinist riep dat hij klaar was voor vertrek en dat de deuren dichtgingen. We hielden de buiken in en lieten pas los toen de deuren echt gesloten waren. Servie gaat boven veiligheid. Iedereen wil graag naar huis en je kunt toch moeilijk de hele boel niet laten rijden omdat hij te vol is. Al moest ik er niet aan denken dat de trein een noodstop zou maken terwijl ik daar tegen het muurtje in het veel te smalle gangetje hing.

Iedere halte was een beproeving. Ik vroeg mij af hoe sommige mensen het toch altijd weer voor elkaar kregen om te zitten. Ook al kwamen ze als laatste het treinstel binnen. ‘Survival of the Fittest’ in de trein. Pas na Hilversum was er een zitplaatsje voor mij vrij. Stukje opzij, plaats komt vrij, ik spring in het vrije gat en wissel de plek met de stoelganger die de trein verlaat. Voor ik goed en wel aan mijn plekje bij het raam gewend was, stopte de trein. Bestemming bereikt.