Hij zit er iedere dag als ik terugfiets van het station naar huis. Vlak voor het laatste bruggetje zit hij op het bankje. Zijn arm ligt op de rugleuning van het bankje en doet alsof hij iemand omhelst. Naast hem staat een blauwe tas van een supermarktketen. De blikjes bier die erin zitten, blijven altijd verborgen achter het blauwe plastic.

Soms ligt er een pakje sigaretten vlak naast zijn bovenbeen. De bovenkant is open en er steekt een peuk uit. Aan de hand van zijn arm die op de rugleuning ligt, bengelt een sigaret. In diepe gedachten gaat de hand naar de mond en hij zuigt intens aan het rokende stokje. Of nee, hij slurpt, zoals je het laatste beetje chocomel uit het pakje zuigt. Je haalt meer lucht dan chocomel naar binnen, maar het is intens. Dat zie ik ook bij de man.

En voor de rest zie ik niets meer, want dan ben ik thuis.