Een week geleden liepen hier de dames met in de plastic zakjes de aanbiedingen die ze tegenkwamen onderweg. Een euro goedkoper en de hele dag dragen. Nu rijden de vrachtwagens af en aan. Verderop vallen de stalen balken uit de tijdelijke sponningen. Ze worden op de trailers gegooid. De vrachtwagen draait stationair en wacht geduldig tot hij weer weg mag. De week plezier kost een paar weken opruimen. Net zoals het een paar weken opbouwen heeft gekost.

Wat verderop ren ik in de armen van twee dames die naast elkaar staan. Ze buigen over een kaart. De fietsen staan achter ze en wachten smachtend verder te rijden. Vlak naast hen staat een paal van de wegwijzer die de richting bepaalt. ‘Meneer, u kent hier wel de weg’, gebaart één van de dames naar mij. ‘Het lijkt erop dat u hier vaker komt. We willen over de brug naar Huizen. Hoe komen we daar?’

Ik stop, het zweet van de afgelopen vijftien kilometer gutst over mijn lichaam. De laatste tien zijn aangebroken. Ik wijs naar het tunneltje vlak achter de wegwijzer. ‘Daar moet u heen en dan komt u wel bij de brug.’ De vrouw is nog niet overtuigd. ‘En als wij die kant op gaan, waar komen we dan?’ ‘Als u heel lang doorfietst, dan komt u in Lelystad.’

Ze tikt haar vriendin aan. ‘Zie je wel ik zei het toch.’ Mijn hand zwaait in de richting van het bord. ‘Maar dat staat daar toch ook op?’ Ik buig wat naar voren om mij te overtuigen. Lelystad staat op de wijzer die wijst in de richting van het tunneltje.