Hoge gillen klonken door de achtertuintjes. In korte halen gilden de merels door. Hier hing gevaar in de lucht. Een ekster schoot vlak over een schutting en werd achterna gezeten door de twee merels. Ze gilden als de sirenes van een hulpdienst achter de zwartwitte vogel aan.

Het was te laat, want iets verderop viel het dode lichaam van een jonge merel. De verontruste ouders hadden het niet in de gaten. Ze vlogen nog altijd gillend achter de vijand aan die wegkroop achter de huizenrij.

De dood komt altijd te vroeg, maar soms veel te vroeg. Overpeinsde ik terwijl ik nog een keer omkeek en het dode jong zag liggen. Bijna volgroeid maar nog niet snel genoeg in de vliegkunst om de ekster te ontwijken.

Het kind probeerde zijn eerste schreden in deze boze wereld te zetten, de vleugels uit te slaan, maar werd wreed geschept door een zwartwitte vijand. De plechtstatige scheiding tussen zwart en wit van het verenvel waarin het donker met het licht speelde, hadden iets van een begrafenisondernemer. Alleen ondernam hij hier zelf de begrafenis: een verse maaltijd jonge vogel.

Tja, dat is de natuur, mompelen mensen dan snel. Of ze zeggen iets van ‘de natuur is wreed’ en weten nog iets te laten volgen over de wetten van de natuur. Als je de evolutietheorie verkeerd begrepen hebt, kun je het ook nog hebben over ‘survival of the fittest’ en recht van de sterkste.

Voor mij was het nutteloosheid, want ik wist zeker dat de dode merel niet meer opgehaald zou worden door de ekster. Misschien ging er een kat mee vandoor, maar dat kon ik niet meer afwachten. De trein van tien voor zeven heeft namelijk geen tijd voor mijmeren in de ochtend.