Ze reden in een heerlijk traag vaartje voorbij. Chillen noemen ze dat. De achterste jongen trapte en stuurde, de andere jongen zat voorop, op het frame van het stuur. Hij liet zich taxiën terwijl zijn vriend achterop in het zweet des aanschijns zijn meters verdiende met trappen.

‘Hallo meneer’, zei de lifter toen ik passeerde. Ik knikte en mompelde iets dat een groet moest voorstellen. ‘Lekker naar het werk’, vervolgde hij. ‘Nee joh’, corrigeerde zijn vriend. Het ene been ging naar beneden en het andere kwam weer omhoog. Hij was weer een paar meter vooruit. ‘Hij komt terug van het werk. Hij gaat naar huis.’ ‘Zo is het’, bevestigde ik.

Het moet er leuk uitgezien hebben de man in het oranje bloesje met een rugzak op de rug. ‘Ik ga lekker uitrusten van het werk’, vervolgde ik. ‘Nou meneer doe rustig aan’, ving ik op. De jongens sloegen linksaf het fietspad naar de kinderboerderij in. ‘Lekker chillen’, zei de jongen terwijl hij het goede voorbeeld af. ‘Jullie ook hè.’