Ik heb de blues en de zomer steekt van wal. Drie buschauffeurs staan bij het kleine gele busje en roken een sigaretje. Ik loop in hun richting aarzelend om mijn vraag. ‘Je mag het ook wel vragen hoor’, zegt de middelste een vijftiger. Zijn buik wijst net zo olijk naar voren als dat hij glimlacht.

Zijn collega’s trekken aan het sigaretje en genieten zichtbaar van de zonnestralen. ‘Nou zeg ik, welke bus het eerste weg?’ ‘Daar doen we niet aan’, zegt zijn collega. ‘De ene keer is het de ene, de andere keer de andere.’ ‘Ik ga vandaag wel als eerste’, zegt de stevige. ‘ Zeg’, hij wijst naar mijn bloesje. ‘Kom je ons niet toevallig controleren, je hebt precies zo’n Connexxion-bloesje aan als mij.’ Ik laat hem mijn pasje zien. ‘Die zones zijn toch wel echt he?’ vraagt hij. Zijn ogen glimmen van de pret.

Als we rijden klaagt zijn collega over zijn borst en dat hij het rijden eigenlijk niet ziet zitten. ‘Nou, dan wil ik het wel doen. Dan ga jij lekker op de kleine’, zegt de stevige. ‘Maar jij mag toch niet op de grote bus?’ ‘ Nee, want dan moest ik van Connexxion de garantie geven dat ik in één jaar zou slagen. Daar heb ik dus mooi geen zin in. Vierduizend euro terugbetalen, dat kan ik met mijn loontje niet trekken.’

We komen bij mijn halte aan. Hij stopt keurig. ‘Eenmaal Molenzoom’, roept hij om. Ik ga bij hem stilstaan en leg mijn mouw naast zijn jasje. ‘Inderdaad’, zeg ik, ‘Connexxion-groen.’ De man met pijn op de borst lacht. ‘Dit is zeker de laatste dag dat je hem aanhebt.’