Eric, van Bomans insectenboek, vloog erop en ik ben ook gek op ze. Ze zoemen zo zwaar. Ze weten zich zo galant omhoog te heffen, wiegend op de wind en brommend boven de bloemen. De treurnis trof mij dan ook toen ik hem zag liggen, op de kop in de vensterbank.

Het leek er verdacht veel op dat hij dood was. Het grote lijf van de hommel lag op zijn kop, de pootjes zweefden waar de vleugels hoorden te hangen. Nu was alles stil.

Inge vertelde dat ze hem de weg naar de uitgang had willen wijzen, maar hij bromde tegen de stroom in en bleef vechten met het glas. Ik blies zachtjes over de pootjes heen en zag ze ineens bewegen.

De droefheid veranderde in hoop en ik pakte hem voorzichtig met een papiertje op en liet hem uit het raam vallen. Hij kroop overeind en bewoog zijn vleugels.

Het baatte niet, want toen ik net van twee hoog naar beneden keek, zag ik hem nog liggen. Stil en roerloos.

Hij was zojuist in de vensterbank niet dood, hij was stervende.