Vanaf mijn terugkeer van de vakantie tref ik een ouder stelletje aan in de trein. Ze zijn rond de zestig, maar ze kijken net zo verliefd en tortelen net zo aan elkaars lijf als zestienjarigen. De gang van zaken verloopt ook elke dag eender, net of het iedere dag een generale repetitie is.

De vrouw zit er al op het plekje dat tegen het looppad aangrenst. Ze kiest altijd voor een bankje waar mensen tegenover kunnen zitten. Dan komt hij binnen, wat gehaast en in een net pak. Hij buigt naar haar toe en geeft een intense kus, waar de verliefdheid vanaf spat. Dan schuift ze op naar het lege plekje bij het raam. Hij mag op het plekje zitten dat haar billen hebben voorverwarmd.

Zij legt haar hoofd neer op zijn schouder, zijn vingers glijden door heur haren en zij legt een hand in zijn schoot. Ze fluisteren heel liefjes tegen elkaar. Af en toe schiet ze omhoog en geeft hem een zoen. Kort maar zo vurig dat de tong blijft branden als een pepertje.

De trein nadert Hilversum en zij staat op, geeft hem nogmaals een diepe zoen, die tot ver in de maag moet wrijven, fluistert iets dat hij zo lief is en zegt ‘tot morgen’ ten afscheid.

Hij kijkt haar niet na, maar staart voor zich uit met een grijns van verliefdheid op het gezicht zoals alleen zestienjarigen die kunnen produceren.

Bij Naarden-Bussum pakt hij zijn tas, veegt heur haren van de revers en stapt uit.

En ik vraag me al die keren af wat de almachtige nu bedoelt met dit toneelstuk dat voor mij wordt opgevoerd.