Ik schoof een bomvolle kar voor mij uit met een klein meisje als hoogtepunt van de aankoop. De hele winkel had ik met een zwabberend wiel gelopen. Ik kreeg de wagen amper vooruit. ‘O’, had de kassier gezegd, waarna hij met een scanapparaatje bij het wiel ging zwabberen. ‘Je hebt er wel niks aan, maar dat is voor de volgende klant.’ Op mijn vraag waarvoor ik dan afgestraft was, reageerde hij niet.

We liepen de winkel uit, rolden de kleine helling af naar de fiets. Ik parkeerde het winkelwagentje wat verderop. Het liep al weg als ik het meisje eruit liet. Ik moest even achter het van mij weg rijdende karretje hollen en greep de stang.

De wagen was leeg en het meisje vroeg mij of ze van het glijbaantje mocht. ‘Glijbaantje?’ vroeg ik. Ze wees wat verderop aan de andere kant van de winkel, achter de winkelwagentjes. ‘Ja, daar.’ We liepen erheen. Het was een stenen helling bestemd voor mobielen van minder mobiele mensen. De rode straatstenen, waren enigszins glad. Ze ging op haar billen zitten, wipte zich op tot de helling begon en liet zich naar beneden glijden. Ze liep over het rechte stukje en zette haar tocht voort op het onderste gedeelte van de helling.

Ik dacht aan het verhaal van Jip en Janneke. Die gleden ook van een stenen helling af en eindigden met een gat in de broek. ‘Kom, we gaan’, zei ik. ‘Anders krijg je er nog een gat van in je broek.’