Ik rende de moeder met kinderwagen voorbij. Ze werden overschaduwd door de bomen langs het pad. Het kind zat rechtop en droeg een roze jasje. Pienter keken haar blauwe ogen de wereld in en de blonde haren waren een beetje vochtig van de regen.

Ze keek in mijn richting. Een vinger wees haar ogen achterna. ‘Kijk hollen.’ ‘Ja’, bevestigde de moeder de gewaarwording. Ze liep dapper verder achter de rollende wagen. ‘Ja, hollen.’ ‘Papa’, riep ze. ‘Papa hollen.’ De moeder hoorde de zin niet uit schaamte dat ik voor de vader werd uitgemaakt. ‘Papa hollen’, herhaalde het mondje onder de blonde haren. ‘Ja, hollen’, herhaalde de moeder.

Ze wist blijkbaar niet dat de vader van haar dochter ook holde en dat het meisje dat wilde zeggen. Ze bleef echter even onverzettelijk als haar moeder. ‘Papa hollen… Papa hollen…’ Ik liep de hoek om en zag ze even later achter het gebouw vandaan komen. Ik kon de conversatie tussen moeder en dochter niet volgen. Ergens had ik nog altijd het idee dat de twee tegen elkaar streden.