Ik stond met hem in de Oude kerk. We keken naar het orgel dat daar zo monumentaal stond, alsof het zo altijd al stond. De punten van het rugwerk wezen als twee eigenwijze wijsvingers in de richting van de preekstoel. En de welvingen van de middentorens leken bolle wangen die de muziek wel even de kerk in zouden blazen. Alsof het hele instrument met zijn schoonheid een tong uitstak naar de gemeente, terwijl iedereen er met zijn rug naar zit.

‘Is dit nu je magnum opus?’ vroeg ik hem. Hij droeg hetzelfde ringbaardje als weleer. De jaren hadden het grijzer gemaakt, maar de blik was onveranderd gebleven. Ik zag hem weer met dat kleine leren tasje in de hand binnenkomen. We waren veel te vroeg voor de middagdienst, er was nauwelijks iemand. Daar ging hij en hij passeerde de pilaar buitenom. De kortste weg was hem niet lang genoeg. Het kwam ook door de luxestoel voor mevrouw, die daar als een koninginnezetel de weg aan de binnenkant van de pilaar versperde.

Dan volgde het wachten op de beroemde tien minuten, als de klokken uitgeluid waren en de mensenmassa langzaam naar binnen stroomde. Hij leunde dan tegen de hoofdwerkkas aan en keek hoe de kerk zich vulde. Hoe de drukke mieren hun plekje vonden. De tijd schoof vooruit en dan mocht hij spelen. De kerk vervulde zich van een preek die zijn weerga niet kende. Hoe ouder ik werd, hoe nijpender de situatie en hoe meer donder en bliksem van boven klonk.

Ik keek hem nu weer aan en zag hoe vereerd hij zich voelde voor mijn compliment. Er zijn weinig mensen die ver voor hun dertigste zo’n kunstwerk afleveren, maar snel won zijn bescheidenheid het. ‘Nou, magnum opus. Magnum opus is wel een groot woord. Nu 35 jaar later moet ik concluderen dat ik het nu allemaal anders zou doen. Zo vind ik het raar dat we toen niet het hele instrument uit de Rotterdamse Wilhelminakerk hebben overgenomen. Nu is een groot deel van het pijpwerk daar vandaan, maar de rest is allemaal verdwenen.’

Het pijpwerk uit de Rotterdamse Wilhelminakerk van de bouwer Steenkuyl (1900) was een unieke kans om een bijzonder instrument te behouden. Het kwam in 1974 terecht in het orgel van de Oude kerk in Veenendaal. De kast, de windladen, de complete techniek en mechaniek werden nieuw gebouwd door de Enschedese bouwer Vierdag. Van de 21 stemmen zijn 17 afkomstig uit Rotterdam. Het orgel van de Wilhelminakerk was in die tijd erg beroemd vanwege de concerten die Feike Asma op het orgel gaf. Veenendaal kreeg in 1974 de kans het orgel over te nemen. Wel kreeg het nieuwe instrument een dispositie die wat meer aansloot bij zijn tijd, de neobarok. Al moet ik eerlijk zeggen dat de uitwerking op z’n zachtst gezegd zeer verrassend is. Het instrument doet helemaal niet modern en neobarok aan. Ik geef de schuld hiervan altijd aan het pijpwerk. Maar Rotterdammers onder elkaar komen altijd voor elkaar op.

‘Zo is het natuurlijk best vreemd dat we toen de oude kast van het voormalige Dekker-orgel gewoon in mootjes hebben gehakt. Het is in de open haard beland. Dat zouden we nu niet meer zo doen. De kast van het Dekker-orgel kwam uit een Duitse catalogus en zag er helemaal niet onaardig uit.’ Ik onderbrak hem. ‘Dus ook dit orgel is een kind van zijn tijd.’ ‘Ook dit orgel is een kind van zijn tijd’, bevestigde hij. Ik trok alles door. ‘Uiteindelijk zijn we allemaal kinderen van onze tijd. Wat we nu doen verwerpen onze nakomelingen over dertig jaar ook. En zo gaat het door.’ Ik vond ook dat het eindeloze ge-historiseer van nu over een halve eeuw misschien ook wel meewarig aangekeken wordt. Dat was hij niet met me eens. ‘Als ik bijvoorbeeld zie wat ze allemaal uit het instrument in Alkmaar aan kennis hebben opgedaan. Die kennis hadden we dertig jaar geleden niet.’

De ontmoeting met het orgel van de Oude kerk heeft me wel iets nieuws geleerd. Zo vraag ik mij af waarom bijvoorbeeld alleen al in Rotterdam alles van het begin van de twintigste eeuw in de jaren ’60 en ’70 zo genadeloos slachtoffer is geworden van de sloophamer: de Koninginnekerk, de Nieuwe Zuiderkerk en de Wilhelminakerk. Stuk voor stuk prachtige godshuizen die er allemaal niet meer zijn. De schuld werd toen gegeven aan de ontkerkelijking, maar dat is meer een aanleiding dan een oorzaak. Ik denk namelijk dat de kerkgebouwen de notabelen en kerkvoogden niet goed uitkwam. Duur in onderhoud, moeilijk te verwarmen. Nee, ze kozen liever voor de moderne bouw. Die lelijke bouw, die wat mij betreft direct gesloopt mag worden.

En als je denkt dat er alleen in de jaren ’70 gesloopt werd. Ruim vijf jaar geleden moest de Almelose Egbertus dicht, een gebouw uit de jaren ’20. Het moest plaatsmaken voor nieuwbouw die nog geen 300 meter verder verrees. Zonde, want al zou er een archief in komen, het gebouw staat nog altijd leeg. De tand des tijds slaat toe en er gebeurt niks. Het wachten is tot de koepel instort en de kerk afgebroken kan worden.

Bekijk de dispositie van de Oude kerk >>