De muziek schalt uit tussen zijn oren en de koptelefoon. Hij staat dromerig naar zijn spiegelbeeld te turen in de ruiten van het treinstel. Om hem heen heeft hij een lege ruimte gemaakt door zijn herrie. Het is nog ochtend en hij kijkt naar zichzelf, maar het geluid wordt niet gespiegeld.

Gelukkig duurt zijn aanwezigheid niet lang, een halte verder moet hij er al uit. Hij staart naar de knopjes om de deur open te maken en drukt op het blauwe dat links zit. De muziek dreunt onverminderd voort, de elektrische gitaren klinken boven alles uit. Hardrock, hoor ik er overduidelijk in, maar ik mis het middenkader van geluiden om de herrie te duiden.

De deur blijft dicht, hij drukt nogmaals op de blauwe knop, maar de deur blijft tjokdicht. Ik zwaai naar hem, maar hij ziet het niet. Ik zwaai nogmaals, de bewegingen in het spiegelbeeld moeten hem wakkerschudden. Ik gebaar naar de rechterkant, waar het gele knopje op zit. Je moet daar op drukken fluister ik, maar ik doe alsof ik schreeuw. Hij wordt wakker en drukt op de knop.

De deur gaat open en hij verdwijnt de duistere ochtend in. Het geluid sterft langzaam weg. Over zijn schouder hangt een witte tas met zwarte spikkels op weg naar de school die achter het station ligt.