Hoe heerlijk is het de literatuur even los te laten en je te storten op de negentiende eeuwse bouwkunst. Gisteren kocht ik het boekje Schoonheid als hartstocht, Pierre Cuypers (1827-1921) van Ileen Montijn. Het boek geeft een inkijk in de grootste kerkenbouwer van ons land. Naar eigen zeggen zou hij zo’n 100 godshuizen hebben neergezet, de schrijfster van het boek houdt het op zeker 80.

Ik leer ook gelijk wat dingen. Zo wist ik niet dat Goethe ook aan de oorsprong van de neogotiek staat. Montijn verwijst naar Goethes bewondering voor de majestueuze dom van Straatsburg. Hij werd getrofffen door de eenvoud, lichtheid en harmonie van de laat-middeleeuwse bouwwerken. De tijd waarin de wereld zuiver was geweest.

Cuypers’ eerste eigen ontworpen woonhuis treft mij dan weer. Tegenwoordig zit in het gebouw het Stedelijk Museum Roermond. Het woonhuis is een architectonisch hoogstandje en combineert werken met wonen. Achter het huis was Cuypers atelier gevestigd. Hier werden vooral heiligenbeelden en andere voorwerpen voor in kerken gemaakt. De kruisgang doet bijna Middeleeuws aan. Je zou vermoeden dat ook de werkstructuur daar volgens de wetten van de leerling en de meester golden.

Het hoofdstuk over restauraties geeft een inkijkje in de geschiedenis van de restauratiewoede vanaf de negentiende eeuw tot heden. De Munsterkerk in Roermond is hier een goed bewijs voor. De restauratie van Cuypers was niet onomstreden, zo haalde hij een belangrijk deel van de achttiende eeuwse veranderingen weg en wist de kerk aan te vullen met vier vierkante torens. In de jaren ’60, zeventig jaar na de veranderingen van Cuypers, wisten de restaurateurs het beter en veranderden het complete interieur naar hun vermeende inzichten. Montijn schrijft hierover, met een licht verdriet in de pen voor wat zij vervolgens verwoestten:

Negentiende-eeuwse beelden, ook al waren ze precies zo gemaakt als de middeleeuwse, werden zonder pardon weggegooid, altaren verwijderd. Schilderingen werden rigoureus van de muren gekrabd, en waar nog versleten resten van oorspronkelijk schilderwerk te vinden was, klonk gejuich: kijk! daar werden de middeleeuwen blootgelegd! Zo werd de kerk ingrijpend en onherstelbaar gezuiverd van de meeste neogotische smetten. Niemand kon in 1964 vermoeden dat twee generaties later een zorgvuldig gemaakt en gaaf bewaard neogotisch kerkinterieur van Cuypers veel grotere zeldzaamheidswaarde zou hebben, en misschien zelfs domweg mooier zou zijn gevonden, dan een mengelmoes van oude restjes en hulpeloos leeg gelaten plekken. Elke periode heeft nu eenmaal haar eigen vooroordelen, en dat geldt zeker voor haar omgang met vroegere tijden. (39)

De kleurenfoto’s die zijn opgenomen van abdij en grootseminarie Rolduc in Kerkrade tonen een kerkinterieur die zeker mooi is. Dat is verdwenen in Roermond. Net zoals de vele kerken van Cuypers waar vooral in de jaren ’60 en ’70 genadeloos de slopershamer in geslagen heeft, zoals alleen al in Amsterdam de Sint Willibrordus buiten de Veste en de Maria Magdalenakerk. De Vondelkerk bleef bewaard, na een reddingsactie. Anders had Amsterdam dit religieuze erfgoed van de bouwer van het Rijksmuseum en het Centraal Station moeten missen.

De enige treurnis die over dit mooie portret van deze bouwmeester valt is zijn strenge katholicisme. De neogotiek is een beetje het symbool voor dit rijke roomse leven geworden en dat is erg jammer, omdat zeker het werk van Cuypers zeer veel variatie, creativiteit en energie laat zien. Gelukkig vind ik hoop in het afgebeelde raam uit de Sint Urbanus in Bovenkerk. Daar is Cuypers afgebeeld geknield, de hand op het hart en de andere hand op een passer. Met een beetje moeite zie je er dan een vrijmetselaar in.