Een stapel treinkaartjes lag naast het toetsenbord. Een Pritt-stift stond er dreigend naast. Het vel papier dat ze over het toetsenbord had gelegd toonde een hele trits opgeplakte treinkaartjes.

De telefoon ging en ze drukte op een knopje. Ze noemde haar naam en de instelling waarvoor ze werkte. ‘Wie moet u hebben? Ja, ik zal u doorverbinden.’ Ze drukte op een knopje. ‘Wat gek nou, hij is weg. Bent u er nog.’ Ze tikte snel achter elkaar op het knopje, maar er gebeurde niks. De telefoon ging weer. Ze legde het treinkaartje in haar vrij hand neer. ‘Ja, heel gek, ik probeer het nog een keer.’ Weer drukte ze op het knopje. ‘Meneer bent u er nog?’ Weer de telefoon. ‘Ja, ik probeer het nog een keer.’ Dit keer drukte ze op de knop en lukte het doorschakelen.

Ze pakte een treinkaartje, drukte de achterkant tegen de Pritt-stift en draaide ermee heen en weer. Daarna trok ze kaartje het van de stift los en drukte het vervoersbewijs naast het ene en onder het andere kaartje. Eindelijk ging haar hoofd omhoog. De kauwgom maalde door haar mond, de ogen staarden mij dromerig aan. ‘Meneer, waar komt u voor?