Meisje (ca. 14) tegen ander meisje (ca. 14): ‘Jeetje man, ik stond voor de spiegel en zag gewoon een velletje. Ik heb de hele dag met een velletje rondgelopen en jij zegt niks.’
Andere meisje: ‘Huh?’
Meisje 1: ‘Ja man, er zat een velletje op mijn onderlip en jij ziet dat niet eens.’
Meisje 2 ‘…’