Ik liep het station uit en haalde mijn fiets uit het fietsenrek bij het station. De deuren floten dicht boven mij op de spoordijk. Het treinstel trok in een gillende snelheid van mij en mijn fiets weg. Ik moest mijn fiets met wat kracht en tact verlossen van de remkabel van de fiets ernaast.

Eindelijk stond ik daar en ik zag een bekend gezicht het fietsenhok in lopen. Ik herkende de korte sik, het kortgeknipte haar en het smalle gezicht. Hij spande zich in om de fiets erin te krijgen en had hem al vaststaan nog voordat ik hem kon passeren.

Wie is die man toch? vroeg ik mij af. Ik kon het antwoord niet bedenken. Ik had hem nog maar zo kortgeleden ontmoet. Was het voor een interview van het één of ander? Of was ik hem gewoon ergens maar kort tegen gekomen bij het hardlopen of zo. Ik wist het echt niet meer.

Pas vele honderden meters verder daagde het in mijn geheugen. Het was mijn huisarts, een Vlaming waarbij ik een maand of twee geleden op bezoek was. Hij is nu zo’n twee jaar mijn huisarts en ik had hem nog nooit ontmoet. ‘t Was verder niet ernstig, wel een heikele kwestie. Maar ik vond het nogal een ‘plezante’ vraag, zo bij de eerste ontmoeting.

Hoe snel een huisarts buiten zijn gezondheidscentrum een normaal mens. Daar kan geen heikele kwestie tegenop.