De fax spuugde de bevestiging uit dat het bericht was verstuurd. Ze keek naar buiten. ‘Waar kijk je naar?’ vroeg ik. ‘Daar achter het bord. Een grote eend of zo. Hij wil oversteken.’

Ik tuurde naar de weg waar de auto’s de tunnel uit kwamen. Geen vogel te zien. ‘Nee, hij loopt niet over de weg.’ Haar stem sprak eerder een wens of een bezwering uit dan een constatering. Ik tuurde, probeerde de bosjes die mijn zicht blokkeerden, weg te denken.

Gans
‘Het is een gans’, zei ik op hetzelfde moment als ik het dier inderdaad halverwege de rijbanen zag lopen voor het verkeer dat de stad in reed. Onzeker waggelde het dier naar de middenberm. De auto’s vertraagden of ontweken het dier.

Hij bleef op de middenberm staan, waagde soms een sprong, maar stond weer terug op de verhoging tussen de rijbanen. Daarna stapte hij zeker de andere weghelft op, drukte zich verder, maar zakte ook meer en meer de tunnel in, waar de wanden zijn oversteek ernstig beletten.

Machteloos
Waar bleef de hulp? Wij keken machteloos. De auto’s raasden voorbij en telkens als er weer eentje weg was, stond daar de gans nog overeind op zijn poten. Een bus raasde de stad uit. Het leek het einde voor het dier, maar ook nu ontsprong hij de dodendans. Hij keerde terug en keek weer onze kant op vanaf de middenberm.

Kamikaze
Nog een laatste kamikaze-actie volgde op de rijbanen waar hij eerder ook al zijn leven niet zeker was. Een zucht van verlichting blies onze longen uit. ‘Wat moeten we doen met het beest?’ vroeg ze. Hij waggelde alweer over het grindpad. Een vleugel hing wat vreemd naar achteren en viel wat dieper naar de grond, bijna over zijn staart. ‘Zou ik de dierenambulance bellen?’

Zorgen
Ze telefoneerde en vertelde over het gansje dat daar gelopen had. ‘Wat?’ blies ze de telefoon in. ‘De politie bellen? Nee, ik maak me geen zorgen over het verkeer. Ik maak me zorgen over de gans.’