Ze zat bij het raam, de tas lag naast haar. Haar benen lagen gekruist over elkaar, de panties werden bedekt door een kort rokje. Het bruine rokje begon ietsje boven de knieën, helemaal zoals het hoort. Op het tafeltje naast het raam lag een rood zakje chips. De dungesneden aardappelstukjes kraakten net zo hard tussen haar tanden als dat het zakje ritselde terwijl ze het volgende stukje chips eruit haalde.

De andere hand droeg het dikke boek. Tussen de vingers klemde ze een velletje papier, dat ze langzaam liet zakken om de volgende regel van het verhaal te kunnen lezen. De andere hand hengelde het zakje in om de volgende vangst te doen. Haar ogen tuurden half over de brillenglazen het boek in, het papiertje zakte regel voor regel.

Geknot
De chips kraakten op, de opzichtige ring om haar ringvinger vertelde dat ze getrouwd was. Haar haren bezaten dezelfde kleur als de stof van het rokje. Ze waren naar achteren geknot in een degelijk staartje. Tussen haar boek en de chips was geen speld te krijgen.

Het zakje verdween in de prullenbak. Ze herschikte zich, liet de donkerblauwe winterjas wel dicht zitten. De zilverkleurige drukknoopjes keken preuts mee het boek in en hielden alles zorgvuldig gesloten. Alleen haar goudkleurige oorbellen probeerden een gevecht aan te gaan met de degelijkheid en tuurden ontdeugend om zich heen.

Een afbeelding van een bijzonder iemand trok voorbij. Een groot staatsman, een dichter, een predikant. Alles kon het voorstellen. Het papiertje gleed er overheen en liet de woorden langzaam los, regel voor regel.

Tot het station kwam, een moeder met haar twee dochters wurmde zich rond de vrouw. De twee meisjes zetten zich op de foto, een groot rood toestel, dat een foto toonde als het opengeklapt was, klikte en er knipperde een rood lampje als het ene meisje het andere fotografeerde.

Eindbestemming
Het papiertje kwam stil te liggen op het boek. Een zucht, een blik in de richting van de meisjes, een moeizame glimlach. Het lukte niet. Het boek klapte dicht. ‘Mama wanneer mogen we eruit?’ Ik zag de vrouw met de bril hetzelfde vragen in de richting van de moeder. ‘Het volgende station’, zei ze geruststellend. De vrouw met het rode boek was niet gerustgesteld. Ze bleef zitten waar ze zat, terwijl om ons heel alle stoelen leeg waren. Ik mocht eruit, want de trein reed net mijn eindbestemming binnen.