Iets na achten, de zon verovert terrein in de stad. De smalle straat waar ik binnenloop laat het zonlicht nog niet toe, maar overal is te zien dat het een mooie dag gaat worden.

Een busje verspert mijn weg. De knipperlichten alarmeren het verkeer dat de bocht inrijdt: hier staat een voertuig stil. De 2 mannen staan voor het pand op de hoek voor een gesloten rolluik. Ze praten met elkaar. Eentje wijst naar het dichte rolluik. Een krant steekt door de tralies naar buiten. ‘We hebben met 4 man aan dat ding zitten sjorren’, hoor ik hem tegen de andere man zeggen. ‘We kregen dat luik gewoon niet omhoog’, vervolgt hij. ‘En toen we het ding eindelijk uit alle macht een stukje omhoog hesen, gleden er weet ik niet hoeveel acceptgiro’s onder het luik vandaan. Echt honderden acceptgiro’s. Toen wilde die wel verder omhoog.’

De mannen doen de deuren van het busje open, stappen in en het busje rijdt weg.