Ze stappen luidruchtig de trein binnen. ‘Hier is nog een plekje’, roept één. De anderen stortten zich op de lege plekken. ‘Zo, en nu een biertje.’ Ze zijn het glazen klapdeurtje gepasseerd dat mijn klasse scheidt van hun klasse. Die  opgeschoten jongens kunnen nooit goed zitten. Straks komt een conducteur en die vertelt ze dat ze verkeerd zitten. Allemaal gedoe, opschuiven, tassen weg en benen naar binnen trekken. Ik zie de bui hangen.

‘Ik denk dat deze niet gaan spuiten’, zegt de jongen. Hij geeft zijn 2 reisgenoten een blikje. ‘Nee, meneer. U hoeft zich geen zorgen te maken, uw kleren blijven droog hoor’, zegt hij geruststellend tegen de reiziger die tegenover hem zit.

Zomervakantie

Ze praten over de 6 weken zomervakantie die één heeft. ‘Ja, mijn vader heeft ook 6 weken. Dat is wel een groot voordeel van het onderwijs’, hoor ik de luidruchtige jongen zeggen. Ik maak me zorgen om de reizigers om hem heen. Die zijn er allemaal voor hun rust in de eerste klas gaan zitten en niet om zo’n verhaal aan te horen.

De conducteur komt en loopt, na mijn kaartje te hebben gecontroleerd, de glazen klapdeur binnen. ‘Vervoersbewijzen alstublief’, zegt hij. De kerels laten hun kaarten zien. Ik verwacht elk moment de vermaning. ‘Heren, u zit verkeerd, daar is de tweede klas.’ Het blijft stil, de conducteur loopt verder. Misschien is het helemaal niet zo dom van de drie jongens om de eerste klas te nemen. Nu kunnen ze immers met z’n drieën bij elkaar zitten, terwijl dat in de volkse klasse vrijwel onmogelijk zou zijn.

Als ik opsta omdat de trein mijn overstapstation nadert, kijk ik nog eens aandachtig naar de plek waar de jongens zitten. Ze zitten helemaal niet in de eerste klas. Achter de glazen klapdeur is gewoon de tweede klas, net als de plek waar ik dat halfuurtje gezeten heb.

Wie zat er fout?