De koude waterstralen van de regen vielen hard op het hoofd. Mijn blote handen koelden snel af. Ik fietste de spoordijk op, de wind blies de regen nog harder in mijn gezicht.

Ik passeerde een oudere vrouw, die haar hondje uitliet. Het beest liep troosteloos met de kop naar beneden de dijk op. Het hoofd van de vrouw was eveneens in elkaar gedoken om het ergste nat buiten te houden.

Muts
Uit vrees voor natte haren, droeg ze een vreemde muts. Het ding had veel weg van zo’n kuipmuts – zo’n gele – die vissers dragen. Ik keek nog eens aandachtig achterom toen ik het stel voorbij was. De vrouw droeg een plastic zak op het hoofd. De naad keurig in het midden en de handgrepen sloegen naar buiten bij de oren.

De grens tussen een kopvod en een hoofddoekje moet hier ergens liggen. Mijn haren waren ondertussen al aardig nat. Ik zou het hoofd niet meer droog houden.