Hij loopt voor me en verlaat de fietsenstalling, steekt de eerste weg over en stopt abrupt voor hij de tweede uitstapplaats van de taxi’s op gaat. Hij kijkt naar beneden, naar de straat, naar zijn schoenen.

Zijn ogen speuren de grond af. Een hand is in zijn jaszak en voelt de hoeken en de gaten af. De man twijfelt, wil zich omdraaien. De ogen die rond zijn schoenen de straat af speuren, kijken mee met zijn vingers, de andere hand gaat de andere jaszak in.

Dan duikt de rechterhand, onder de stof van zijn jas door, de broekzak in. Opnieuw speurt zijn hand de hoekjes van de zak na. Zijn ogen kijken mee. Vertwijfeld, wil de man omdraaien. Staat hij toch niet op slot? Zijn gezicht verschiet nauwelijks, maa de hand verlaat zijn broekzak. Zijn gezicht trekt weer omhoog en kijkt vooruit. Hebbes. Trefzeker beent hij in de richting van de stationshal.