Doris kreeg de laatste keer bij het zwemmen last van water in haar oor. Ze klaagde erover en ik besloot vrijdag gelijk naar de audicien te gaan om haar oordopjes op maat aan te meten.

Het was best druk bij Beter horen en de audicien had alleen dienst. Ze wist het best economisch in te delen door een andere klant te helpen als de klant ervoor op iets moest wachten.

Kleiachtig
Zo kreeg Doris een oranje, kleiachtig goedje in haar oren gespoten en mocht daar vijf minuten mee zitten. Ze vond het zelf erg grappig en schreeuwde omdat ze zichzelf niet meer goed kon horen. Onderwijl werd een andere klant geholpen.

Maandag konden we de oordopjes ophalen. Nu werkte wel een assistente. We moesten nog even wachten op onze beurt en namen plaats tussen alle ouwetjes. De mensen die er zaten kwamen voor hoorapparaten en andere hulpmiddelen voor een beter gehoor.

Doris vroeg aan mij wat al die mensen mankeerde. Ik vertelde dat ze, net als haar oma in Almelo, doof waren. ‘Oma moet eigenlijk ook een hoorapparaatje in, maar dat doet ze niet. Deze mensen zijn wat dat betreft verstandiger’, merkte ik er vinnig bij op.

Had kunnen zijn
Een man en zijn vrouw stapten binnen. De man vond Doris wel een interessant kind en hij probeerde haar aandacht te trekken. Toen de audicien ons ging helpen, zei hij: ‘Dat is mijn kleindochter’, waarna hij snel liet volgen ‘zou kunnen zijn.’

De oordopjes waren nog niet helemaal klaar en de audicien deed ons voor hoe de dopjes in de oren moeten. Best ingewikkeld, met een halve draai en dan naar binnen duwen – voorzichtig -.

De dopjes werden gelakt en afgewerkt, waarna ze nog even moesten drogen. De man kreeg helemaal niet de beurt terwijl hij wel aan de beurt was. ‘Hé’, zei hij. ‘Ik ben aan de beurt.’ ‘Maar u hoort toch bij hen? ‘t Is toch uw kleindochter?’ vroeg de audicien. ‘Nee, ik zei net dat ze mijn kleindochter had kunnen zijn’, verklaarde hij. Waarna hij toch met de audicien meemocht en liep achter haar aan de gehoorkamer in.