De alarmlichten knipperden terwijl het busje over het fietspad reed. De wagen sloeg af, de stoep op en stopte links van het verkeerslicht. Het licht sprong net op rood. De fietsers die zich achter het traag rijdende busje hadden samengeklit, stopten en keken geërgerd in de richting van de chauffeur die net uitstapte.

De aanhanger achter het busje lag boordevol met allerlei plaatjes, het leken wel fors uitgevallen tegels, die van elkaar gescheiden werden door stukken karton. Ik keek nog eens goed en zag dat het van die richtingborden waren voor fietstochten. De groene pijlen en fietsen toonden mij de bekende bordjes van dichtbij.

Oppakken en meenemen

Sterker nog als ik het zou willen, dan kon ik ze gewoon pakken en meenemen. Even greep de gedachte een bordje uit de enorne verzameling die keurig op volgorde op de platte laadkar lag uitgestald. Makkelijk te grijpen en overzichtelijk. Ik zag de fietsers al die de verkeerde richting reden, gefopt door het ontbreken van het essentiële bord op de essentiële plek. Ik liet de rij voor wat ze was.

De man in het busje was alleen. Hij zou er zeker de hele dag nog over doen om die enorme rij borden. Zeker 200 van die borden lagen op de aanhanger. Eentje voor de heenweg en eentje voor de terugweg. Waar zou de reis naar toe gaan, vroeg ik mij af. De man trok een bord uit de stapel en liep naar de paal waar al een fietstocht hing. Deze zou eronder een plekje krijgen. Aan het eind van de dag zou Den Haag een fietstochtje rijker zijn. En de man een oplegger vol met fietsrouteborden armer.