Het begint met een dampje. Je haalt je neus op, denkt wat het zou kunnen zijn. Heeft de mevrouw naast mij een scheet gelaten? Of is het de meneer achter mij die wat gas uit zijn lichaam heeft laten ontsnappen?

Het dampje ontwikkeld zich tot een pregnante geur die scherp om zich heen grijpt. De vrouw tegenover me wappert met haar hand voor haar neus. Alsof de stank daarmee zal verdwijnen. De vrouw op het bankje naast mij, pakt het wat serieuzer aan, zij knijpt haar neus dicht.

Ik kijk om me heen, of het iets of iemand in de buurt is. Iedereen kijkt rustig voor zich uit. Of er niks aan de hand is. De geur wordt nog sterker, het moet van buiten komen, en slaat nog wilder en effectiever om zich heen. Niemand kijkt of, doet iets aan de hand is.

De trein nadert het station. Als de medereizigers het treinstel verlaten hebben, komen twee jonge meiden binnen. Het is een kwartier later, de stank zou weg moeten zijn. ‘Het stinkt hier’, gilt de ene uit naar de andere. Je ziet de ander denken: ‘zou iemand…’ Niemand kijkt op of om, doet of er iets aan de hand is.