Ze liep het hoekje om, het steegje in. De telefoon hield ze tegen haar oor gedrukt. De harde wind zou ongetwijfeld de hoorn in blazen. Zo hard dat ze het zelfs weer zou terughoren . Zo gaat dat altijd met mobieltjes in de wind. Haar stem galmde door het steegje. ‘Waarom?’ vroeg ze hoorn in.

In de kinderwagen die voor haar stilstond, lag een baby. Het bonte mutsje dat het kleine wicht op haar hoofd had, gaf het gezichtje net voldoende ruimte om te kunnen ademen. Iets achter de armsteunen van de kinderwagen was het blonde koppie van nog een kind te zien.

Ballonnen

‘Waarom?’ herhaalde de jonge moeder. Het blonde koppie bewoog heen en weer. ‘Ik zet je toch niet voor schut?’ Aan de kinderwagen bengelden 2 ballonnen. Vreemd genoeg blies de wind ze uit elkaar. De gele werd tegen de zijmuur van de steeg gedrukt en de groene ballon fladderde de andere kant op. ‘Ik zet je helemaal niet voor schut’, herhaalde ze. ‘Dat snap je toch wel?’

Het gesprek zat vast, zoveel was te horen. De wind nam nu regendruppels mee en op mijn bril ontstonden watervlekjes. Ik kon nog net zien hoe de groene ballon omsloeg in de richting van de baby. ‘Ach jij’, gilde ze de steeg in.