Op de Utrechtse markt staat, naast de kaasboer, de pantyverkoper, de visboer, de verkoper van nepparfums en de groenteboer ook een boekenverkoper. Precies op het tijdstip dat ik de stad in kom, is hij druk doende zijn boeken uit te pakken.

Morsig

Ik ontdekte het vorige week. Rond het stalletje had zich een groepje mannen verzameld. Ik herkende ze meteen. Ze zagen er enigszins morsig uit. Ze droegen van die verwassen jasjes, het haar was niet gekamd en rond de wangen vormde zich een voorzichtig baardje.

Grabbelen

De boekenverkoper zag er minstens even morsig uit, grijze haren en een snor. Het gezicht staarde naar beneden. Hij grabbelde vanuit een verder niet zichtbare diepte onder zijn kraam telkens een paar boeken. Vervolgens legde hij ze op het lege hout van de kraam, sloeg het boek open en krabbelde iets op de eerste bladzijde. Dan liet hij het boek met een plof uit zijn hand glijden.

Graaien naar boeken

Nu was het de beurt aan de morsige mannetjes, ze graaiden naar het boek. Ze bekeken de prijs die de verkoper erin geschreven had en legden het daarna op een stapeltje. Soms attendeerde een mannetje een ander mannetje op een boek. ‘Napoleon, is dat niet iets voor jou?’ Waarna het boek direct vanaf de verkoper in de handen van het betreffende mannetje viel.

Onophoudelijke stroom

De stroom boeken leek nooit op te houden. In de mond van de boekenverkoper hing een sigaartje. Tijdens het beprijzen van de boeken liet hij links en rechts van het sigaartje een wolkje rook ontsnappen. Hij zweeg in alle talen en leek te spreken met het beprijzen van zijn verkoopwaar.

Groepje eenden

De mannetjes staarden naar de tweedehands boeken. Ze wachtten precies zo op hun beurt als een groepje eenden dat korstjes brood gevoerd krijgt. Ze weten dat ernaast kunnen grijpen en duwen zich soms naar voren om de honger naar het felbegeerde boek te stillen.

Boekenstroom

Vorige week bleven de prijzen in de boeken stromen. Tussen de mannetjes had zich een enorme stapel boeken gevormd. Ik mocht erin kijken. ‘Neem maar mee’, zei een mannetje. ‘En leg het maar bij de andere boeken.’ Ik pakte de halve meter boeken op en legde ze op hun kant naast een rij boeken die al eerder daar neergelegd was. Zo hielpen we de verkoper gelijk om zijn waar netjes en overzichtelijk uit te stallen.

Abrupt

Vanmorgen hield de boekenstroom abrupt op. De verkoper had ook zijn sigaartje niet tussen de lippen hangen. Hij prijsde het laatste boek en krabbelde iets op de eerste bladzijde met zijn potlood. Ditmaal dook hij niet meer met zijn vrije linkerarm naar beneden. ‘Niet meer?’ vroeg een van de stoffige mannetjes. Hij schudde zijn hoofd. ‘Dan kunnen we weer naar huis’, grapte ik. ‘Nee, naar het werk’, zei er eentje streng.

Wat ik nog weet

Ik zag een mooie stapel liggen en trok geïnteresseerd een rood boekje van Annie M.G. Schmidt uit de stapel. De stapel begon van onderen met één boek en veranderde naar boven toe in twee stapels met smallere boeken. Het boek van Schmidt kwam uit het linkerstapeltje. Ik kon nog net de titel zien aan de zijkant, Wat ik nog weet. Het was een boek met jeugdherinneringen, dat ik zeker kende en waarbij ik mij afvroeg of ik het ook in mijn boekenkast stond. Ik wist het niet meer.

Uitgezocht

Nog voordat ik het boek wilde openslaan, gebaarde een mannetje naar mij. ‘Nee’, zei hij erbij. ‘Die stapel is al uitgezocht.’ Ik knikte begrijpend en draaide mijn hoofd om. ‘Die stapel is uitgezocht’, herhaalde hij. In zijn stem klonk een iets dwingender toon. ‘Hij is van u?’ vroeg ik. Hij knikte. ‘Dat zeg ik toch.’ Teleurgesteld legde ik het boek bovenop de stapel. Nog snel zag ik de prijs – 1,50 – in het snelgekrabbelde potloodschrift staan.