Zacht boven het stadslawaai klonk het. Niemand leek het te horen, want alle mensen passeerden het huis zonder op of om te kijken. Ik stopte, keek omhoog en zag een kat zitten. Ze miauwde nog eens, de bek ging verder open dan het zachte geluid dat eruit kwam.

Koppel duiven

Iets verder, en hoger in de dakgoot bij het aangrenzende huis zat een koppel duiven. Ze waren daar ergens aan het broeden, een paar takken en twijgjes staken over dakpannen heen. Het mannetje, tenminste ik stelde mij voor dat dit het mannetje was, fladderde wat met zijn vleugels onrustig heen en weer.

Guitige oogjes

De jonge kat, want de guitige oogjes verrieden dat hij onmogelijk volwassen kon zijn, keek weer omhoog en toen naar beneden, naar mij. De bek ging weer helemaal open. Het dier leek de brul van een verre voorvader te willen imiteren, maar er kwam niet veel meer uit dan een miauw die gelijk in het stadslawaai vluchtte.