Ze waren in Utrecht bij mij komen zitten. Zij aan de ene kant van het raam en zij aan de andere kant van het raam. De jongere vrouw schoof naast mij. De oudere vrouw ging tegenover mij zitten. Ze keken naar buiten en zwegen.

Alle zicht

De wat oudere vrouw droeg een rood shirt met een lage v-hals. Het bood alle zicht op haar boezem. De zon had haar hals rood verbrand. De huid was van de droogte nog meer gaan rimpelen en versterkte de ouderdom. De huid rimpelde sterker hoe dichter ze de borsten naderde.

Uit de mottenballen

Het shirtje was duidelijk uit de mottenballen gehaald. De zon had de rode kleur verkleurt in een kleur die ergens tussen rood en oranje hing. Ze droeg haar zomerjas als een colbertje waardoor ze nog meer aandacht wist te vestigen op het décolleté en de gerimpelde huid. Om haar pols droeg ze een uitbundige armband die zich ergens midden op haar hand vastklemde.

Suikervrij

Ze bood haar medereizigster een dropje aan. Suikervrij stond op het zakje. Zelf peuterde ze met haar wijsvinger een Fisherman’s Friend los. Ze sabbelden allebei. De vrouw moest niezen. ‘Zie je. Alweer. Ik kan er gewoon niet tegen.’

Oooo

De trein stond even stil in een weiland en trok weer langzaam op. ‘Ooo’, zei de jongere vrouw. De verbazing trok heel liefdevol uit haar mond. Ze droeg een zwarte jas die even donker was als de jas van haar reisgenote.

Zo schattig

‘Je bedoelt die 2 eenden?’ vroeg het gerimpelde décolleté. Het meisje knikte met haar hoofd. ‘Nee, zag je dan niet wat erachter liep.’ Het vrouw met het rode shirt schudde haar hoofd. Het meisje trok haar wijsvinger en duim uit elkaar, maar zei niks. De vrouw keek aandachtig naar de vingers en schudde weer met haar hoofd. ‘Kleine eendjes. Zo schattig.’

De vrouw keek naar buiten, duwde haar hand tegen haar keel. ‘Het helpt wel’, zei ze erbij.