Beschrijving van 10 minuten rennen en vliegen van Buitenhof naar Centraal

De laatste glazen schuifdeur door. Hop, de troittoirband af, stukje asfalt en hop nieuwe troittoirband over, de tramrails, een wissel, stapjes tussen de rails door op de steentjes, weer de band, asfalt en nog een keer. Hop verder, langs de viskraam. Een man eet een harinkje, houdt het beest boven zijn hoofd en hapt.

Rode lampjes

Het tunneltje van het Binnenhof, tussen de palen met de rode lampjes. Een groep Japanners – een buslading – vormt een dijk in mijn richting. De gids wijst naar de Ridderzaal, maar de mensen van de groep kijken alle ander kanten op. Ik kijk op de klok van het rechtertorentje en zie de grote wijzer wijst al een eindje over de helft naar boven. Rennen, want veel minuten heb ik niet meer. Ik hol verder. Een man met een klein baardje dat keurig de kaaklijnen volgt en samenkomt voorin de kin. Hij kijkt met de blik omhoog, verbaasd over de afwerking van de Ridderzaal. Turend naar de kleine raampjes die vlak onder het dak verstopt zitten.

Geen gemotoriseerd verkeer

De poortjes door van de andere kant, een verbodsbord, hier mag geen gemotoriseerd verkeer komen. Een witte Toyota rijdt de parkeergarage uit. De troittoirband op, de stenen kogels ontwijkend verder over het Plein. Achter Willem van Oranje langs. Een ouder echtpaar tuurt op een raadselachtige manier samen door een fotocamera. Hij hangt half voorovergebogen en zij moet niks zien door de enorme zonnebril die op haar neus prijkt. Hup, een bellende Chinese dame voorbij. Haar handtasje wappert mee op het windje dat ik veroorzaak. Door de stoelenrij van het terras. Een trolley schiet langs, met bovenop een plastic verzamelbak voor bestek. Links de menukaarten, hop, hop verder de smalle straat in waar het naar pies ruikt. Een dunne vochtstroom loopt precies in het midden van de straat. Zou dat de lucht veroorzaken,

Dameskont

Ver voor mij een volle dameskont, de billen schuiven precies in tegenovergestelde richting als dat de tas op haar rug zwiept. De spijkerbroek zit strak om haar ronde billen. Het is een mooi spel, maar ik heb er geen tijd voor. De trein wacht. Hij wacht op het voorgeschreven uur, maar niet op mij. Hup, de steeg uit, de weg over, langs steentjes en bloembakken. Een moeder met een dochter keuvelt op mijn pad. Ik hol er voorbij. Een auto passeert. Er is genoeg ruimte om de straat dwars over te steken. Een oudere man loopt bellend langs. Hij schuift zijn bril naar achteren over zijn neus.

Diederik Samsom

Diederik Samson voorbij. Wat? Is dat echt Diederik Samsom? De kale kop met een dun laagje haren hol ik langs. Hij tuurt op een beeldschermpje, ziet mij niet eens. Ik hol verder, de brug over, de bank langs. Mensen voorbij. Een zwerver zit op de hoek, voor de bank, te spelen op een accordeon. Rennen, niet omkijken, maar het is Diederik Samsom. Echt het is hem.

Voordringen

De weg over, een auto dringt voor, doorkruist de mensenmassa. Hij heeft voorrang, al die lopers naar het station niet. De trambaan over, weer de steentjes en de rails, de smalle gleuven waarover de ijzeren wielen draaien. Een tram rijdt mij tegemoet, met een vaartje, de bekende tingelbel klinkt, laat mij erdoor, ik stop niet. Een drietal HTM-controleurs voorbij. Groot staat op de drie ruggen ‘HTM – controleur’. Aan de linkerbil zwiept een scanapparaat mee, of kaartjesknipper, dat kan het ook zijn. De grote klok op het stationsgebouw vertelt 10 voor 5. Nog tijd genoeg, maar hij loopt altijd achter, dus de minuten kunnen al verder zijn, weet ik.

Hek

Verder, het hek houdt mij tegen om het stationsplein te doorkruisen, ik moet er omheen lopen. Hé een brievenbus, ik moet nog iets op de post doen. Waar is het. Ik doe de rugzak los, zoek in de papieren, boeken voorbij, losse blaadjes, waar is de brief. Ik geef het op. Ik ga mijn trein niet missen voor zoiets. O ja, hij zit in de binnenzak van mijn jas. Snel pakken. O help, hij is wat verkreukeld.

Stationshal

De stationshal in, de stationsklokken zeggen mij dat ik nog een minuut of vijf heb. Een meisje loopt heel vervelend in mijn looppad. He, daar is Diederik, hij ziet mij niet, tuurt op zijn schermpje. Twitter, links pasfoto’s rechts een reepje tekst. Ik ren hem voorbij, want ik wil wat verder voorin zitten, waar het wat rustiger is. Een groepje meisjes doorkruist mijn weg. Ze keuvelen gezellig voor de perrons langs. Ze zijn op weg naar een perron verderop.

Leeg plekje

Eindelijk loop ik langs de trein, snel een leeg plekje zoeken. Het is zo vervelend dat de treinen hier helemaal achteraan beginnen. Het is een nieuw treinstel, met lekkerdere stoelen. Deze treinen rijden altijd in een duo van een oud en een nieuw treinstel. Ik moet voorin dit treinstel maar een plekje vinden. Ik loop naar binnen, kruip en sluip langs tassen en benen het gangpad door. Daar is nog een plekkie naast een meneer. Ik zeg sorry, de man doet of hij niks hoort. Ik herhaal mijn spreuk en de tas verdwijnt tussen zijn voeten.

Ik zit.