Kleine kinderen in de ochtendspits zorgen altijd voor een lichte verwarring. In de trein van 7 uur horen geen kinderen te zitten. Hier horen kantoorklerken en werklui met een krantje voor zich terwijl ze de laatste slaap uit de ogen wrijven. De Afrikaanse vrouw die binnenstapt met een meisje van een jaar of 4 en een jongetje van ongeveer 2 trekken de aandacht in de verder lege spitstrein.

Moeder, jongetje, meisje

Het jongetje gaat bij het raam zitten, de moeder en het meisje nemen een plekje aan de andere kant. Het meisje mag tegenover haar broertje zitten. Elk geluid is een verstoring van de rust die in de trein was voor het jonge gezinnetje de trein instapte. Het jongetje kijkt naar buiten en ziet in de verte een auto rijden. ‘Auto’, roept hij. Het lijkt meer op ‘audo’ wat hij uitslaat, maar de toehoorder kan hier toch duidelijk een verwijzing horen naar het voertuig op 4 wielen. De moeder en het meisje slaan er verder geen acht op. Het kereltje slaat bromgeluidjes uit.

Audo

De trein rijdt op volle snelheid een tram voorbij. ‘Audo, audo’, roept het kereltje. Moeder en dochter besteden er weer geen aandacht aan. Het jongetje ziet echter eindeloos veel audo’s over de snelweg rijden. De trein raast er voorbij en het kereltje roept steeds harder dat het een audo ziet rijden.

Lawinestorm

Het stemmetje klinkt indringend en lijkt op een lawinestorm of een veel te schelle trompet. Zeker als er de trein weer een tram inhaalt. ‘Audo, audo’, schreeuwt de jongen. Het petje van spijkerstof zakt wat verder naar beneden en stopt vlak boven zijn hoofd. Het meisje corrigeert haar broertje. ‘Dat is geen auto, maar een tram.’ Het jongetje wordt boos. ‘Nee’, gilt hij. ‘Audo’. De trein staat stil bij een station. Naast ons staat een andere trein. ‘Audo’, gilt het kereltje door de verder doodstille trein. ‘Nee, dat is een trein.’ ‘Nee!’ gilt de jongen nog harder. ‘Nee, audo.’ Een tram rijdt het naastliggende tramstation binnen. ‘Audi’, roept hij hard en wanhopig. De oren van het handjevol aanwezige groepje forensen tuten op dezelfde hoge toonhoogte mee. Nog een keer gilt hij en slaat woest met zijn handje op het tafeltje.