Bij de crematieplechtigheid van Annie van der Velde, afgelopen vrijdag, las ik de volgende tekst voor.

Er was eens een danseres. Ze kon prachtig dansen. Als ze ging dansen, trok ze haar mooiste jurk aan. Ze maakte zich op en deed haar gouden horloge om. Dan zwierde ze in lichte pas over de dansvloer. Alle mannen wilden met haar dansen, maar het was moeilijk iemand te vinden die alle dansen met haar kon dansen. Dan liep ze een prachtige foxtrot – zo’n ouderwetse – maar dan werd het niks bij de Engelse wals. Ze ontmoette 2 dansers van wie ze dacht dat die wel in de maat zouden blijven, maar allebei liepen ze spoedig uit de pas.

Pas later ontmoette ze de danser van haar dromen. Ook bij hem verliep de dans niet altijd vlekkeloos, maar hij deed oprecht moeite en bracht vrolijkheid in haar leven. Dan voelde ze zich vederlicht. Zijn enthousiasme monterde haar op. Eens was ze met de danser in Venetie. Op het San Marcoplein maakten een paar muzikanten vrolijke muziek. De danser nam de danseres bij de arm en samen dansten ze op de muziek. Spoedig verzamelden zich allerlei voorbijgangers om hen heen. Ze klapten mee op de maat van de muziek en zongen de melodie van het lied mee.

Dat was vroeger. De danser raakte in de war. Hij zette het verkeerde been voor het andere en trapte steeds per ongeluk op haar voeten. De danser merkte het zelf ook. Hij wilde niet meer dansen en bleef thuis. Daar mopperde hij dat hij haar niks meer kon geven en dat ze beter een andere danser kon zoeken. Ze probeerde dat, maar geen enkele danser kon met haar de levensdans dansen. Ze wilden allemaal met haar dansen, maar bij elke dans dacht ze terug aan haar eigen danser.

Ze miste de danser. Het verdriet greep haar bij de keel en ontnam haar langzaam de adem. Ze kreeg het benauwd, hapte naar lucht en merkte dat haar benen niet meer zo licht dansten als voorheen. Ze raakte buiten adem na een paar dansen en wat later stopte ze al midden in een dans. Dan moest ze weer op adem komen, want de lucht was op. Tot het dansen echt niet meer ging.

Ze kreeg troost van een klein zonnetje, dat door haar keukenraam naar binnen scheen. Het straalde op haar en maakte haar helemaal vrolijk van binnen. Dan droogden de tranen in de warmte van het kleine zonnetje. Dan werden haar voeten vederlicht en danste ze eindeloos met haar danser. De mensen dromden zich samen op het plein en stonden om de danseres en haar danser. Ze klapten op de maat van de muziek en zongen de melodie van het lied mee.

Tot ze op de langste dag van het jaar bijna niet meer kon ademhalen. Ze voelde hoe het leven haar lichaam wilde verlaten. Het kleine zonnetje zag ze nog eventjes, maar de stralen van de grote zon werden sterker. Ze riepen haar steeds harder. Ze zwaaide het kleine zonnetje vaarwel en blies haar laatste hap lucht uit.

Als je nu ‘s avonds heel goed kijkt naar de hemel, dan zie je een sterretje dansen. Het sterretje wacht op haar danser. Ze zwiert de mooiste dansen in haar mooiste jurk. Om haar heen is het publiek toegestroomd. Het klapt op de maat van de muziek en zingt de melodie van het lied mee.

‘Je hoeft niet te huilen’, zegt ze. ‘Weet dat ik een goed leven heb gehad. En dat ik heb gedanst en zal blijven dansen met mijn danser.’