De koolmezen zijn uitgevlogen. Temidden van al het verdriet over het verlies van mijn schoonmoeder, zijn het juist de kleine dingen die bevestigen dat het leven doorgaat. Ik was er maandag eventjes en hoorde de koolmezen niet meer. Het deed vermoeden dat ze waren uitgevlogen.

Gisteravond waren we even thuis en hoorden de ouders zingen terwijl de jongen piepten. Ze riepen elkaar. Al het kleine grut had zich verzameld in een dichtbegroeide boom, zodat eksters, kraaien en meeuwen wat moeilijker bij de dieren konden komen.

De kleintjes piepten, vlogen lichtjes op. Ik zag dat de jongen nog niet goed konden vliegen. De kopjes waren ontzettend schattig, de plukjes veren wezen nog eigenwijs omhoog. De kopjes zagen er baby-achtig uit. Ze piepten dat het een lieve lust was, van de honger. En de ouders vlogen het ene na het andere rupsje en vliegje in de bek van hun kleintjes.

Dan zie je hoe het voorjaar is veranderd in de zomer. Kleintjes worden groot. Dat geeft veel troost in tijden van verdriet.