Ze kwam opeens vanachter de schutting. In haar hand hield ze een schep vast, waar iets op lag met vers gemaaid gras. ‘Kijk’, riep ze boos en keek mij indringend aan. ‘Hij heeft zelf gras voor de deur waar hij zijn hond kan laten schijten.’

Verse hondendrol

Ze was even gestopt, ik zag nu ook dat op de schep een verse, enigzins zachte hondendrol lag. Ik keek haar verbaasd aan en begreep niet zo goed wat ze van mij verwachtte. Even voelde ik me aangesproken, maar het was niet de kant van de straat waar ik ook maar iets mee te maken had.

Heetgebakerd

Achter haar liep eveneens een jongedame, iets minder heetgebakerd. Ze had hetzelfde krulletjeshaar dat tot ver over de schouders viel. Ze droeg een iets minder strak shirt, het kroop ook niet omhoog zodat de heupbroek zichtbaar werd.

Zussen

Het zouden zo zussen kunnen zijn. Zat van de hondenpoep die voor hun huis werd gedoneerd. De zus met de schep beende alweer verder, zocht het huis van de hondendroleigenaar en zette demonstratief de schep op de grond. Het staal van de schep galmde over de gracht. De slipper die de jongedame droeg schoot los van haar voet.

Boze verwensingen

Ze gilde boos allerlei verwensingen uit. Boos omdat ze genoeg had van de stront van die ‘schijthond’. ‘Kankerhomo’, riep ze in de richting van het huis. Ze herhaalde het nog een paar keer. Haar zus stond wat verderop toe te kijken. Ze gebaarde met haar hand. Genoeg, nu was het klaar. De jongedame veegde de schep aan het gras van het talud voor het huis. Het was goed zo. Met haar hand veegde ze een haarlok weg. De woede was weg en de drol lag er. Tegen de rand van de stoep zodat hij hem goed kon zien.