Hoe gaat het in zijn werk? Je slaapt en je hoort geluiden. Je probeert het geluid te duiden en de beslissing te nemen of je verder gaat slapen. Het is een vorm van betekenistoekenning waarbij een deel van de hersenen slaapt en de rest probeert het geluid om te zetten in betekenis.

Zo gaat het ongeveer denk ik. Ik slaap en hoor de hele tijd een geluid. Nee, het is niet Doris, dat haal ik er heel snel uit. Draaien, weer op een andere zij. Inge naast mij is ook onrustig. Het geluid hoort niet. Het lijkt of er kinderen spelen op het pleintje achter ons huis. De slaap wint het nog van het geluid. Het zijn immers niet mijn kinderen en dat gejengel is vervelend, maar valt buiten mijn verantwoordelijkheid.

Het gejengel houdt aan. De slaap verandert in halfslaap dat op zijn beurt weer transformeert in wakker worden. Het is een eigenaardig gejengel buiten. Het klinkt als het gejengel van een kat. Mogelijk heeft het diertje zich in een onmogelijke positie gebracht. Ik besluit maar eens een blik naar buiten te werpen. Het is al licht.

Als ik het gordijn openschuif, zie ik een kat zitten op het bankje voor het raam. Het dier draalt rond de leuning van de bank, springt op de grond en heeft mij in de gaten. Twee felgroene ogen staren mij verwachtingsvol aan. Het miauwt omhoog en loopt naar de deur, terug naar de poot van de bank en geeft de poot kopjes.

‘Wat moet dat beest daar?’ vraag ik aan Inge. Zij is immers de kattenkenner. Als ze niet allergisch zou zijn, dan zou het onze eigen kat zijn die ons uit de slaap houdt. Inge weet het ook niet. Het moet ophouden, vinden we allebei. Volgens Inge is het dier al een uurtje of 3 aan de gang. Ze meent een dikke buik te zien. Die zoekt een rustig plekje om te bevallen, suggereert ze. Ik denk dat het de kat van hiernaast is, of van iets verder, op het hoekje. We weten het niet.

Wat nu? Misschien kan hij niet wegkomen. Dat zou natuurlijk goed kunnen. Ik ga naar beneden, Inge achter me, om het beest buiten te houden. Dan stuur ik het weg. Ik doe open. De kat neemt een veilige afstand. Het dier loopt achter me aan als ik naar de poort loop. Ik open de schuttingdeur en het dier loopt voor mij uit en gaat weg. Als ik de achterdeur in het slot draai, vraag ik Inge of hij nu terugkomt. Als hij straks na 5 minuten terug is gooi ik water over hem heen. Zo kunnen we niet slapen en we kunnen hem niet in huis hebben. Inge wordt gewoon doodziek van een kat. Ik draai mij om en zie de kat alweer voor de achterdeur dreinen.

Dan maar een beker water naar beneden gooien. Het gejank neemt niet af, de kat begint juist sterker te janken. Het klinkt als ‘nou?’, in de trant van wat flik je me nou? We liggen weer in bed, maar het janken blijft. Het is notabene niet eens onze kat, we hebben het dier niet eens aangehaald. Misschien zoekt hij inderdaad een rustig plekje. ‘Hij kan toch in de schuur?’ vraag ik Inge. Natuurlijk kan hij in de schuur. Ik loop weer naar beneden, het dier loopt voor mij uit en vlucht al onder de schutting door weg. Hij is verdwenen, ik doe de schuurdeur open, voor het geval dat.

We vallen licht in slaap, het gejank horen we slechts af en toe. Hier kunnen we wat beter tegen. Als Doris een kleine 2 uur later naast ons bed staat, kijk ik nog eens naar buiten. Hij zit er weer, kijkt met de helgroene ogen naar boven en rent naar de deur. Wat moet dat beest? vraag ik weer.

Als ik beneden kom en de hond uitlaat, is de kat verdwenen. Op het pleintje achter zitten de 2 katers uit de buurt: de stoere Moos en een grijze/bruine. De zwarte kat zit voor de kastanjeboom. Ik roep hem, hij loopt naar mij toe en laat zich even aanhalen. De katers zien het met een lichte irritatie in de ogen toe. Wat later loopt de kat weer weg. De katers zitten met z’n tweeën op de uitkijk naar het voetpad dat naar de gracht leidt. Ze vliegen plotseling overeind en hollen naar het kattenluikje van Moos. Moos voorop. Ze kruipen weg. Als ik bij het pad kijk, zie ik een hond die wordt uitgelaten.

Van de zwarte kat geen spoor. Die heeft een slaapplekje gevonden om ons vannacht weer fris en fruitig lastig te kunnen vallen.