Hij boog zich een beetje naar me toe en tuurde daarna mee omhoog. ‘Wat zie jij?’ vroeg hij. Zijn ogen keken mij guitig aan en met een nieuwsgierigheid naar een antwoord. Natuurlijk wist hij wel wat ik zou zeggen, maar hij hoopte stiekem dat ik zou nadenken voordat ik wat ging zeggen.

Ik keek nog een keer omhoog en ik voelde dat hij meekeek. Daarna ging zijn blik terug naar mij, ik wist het, maar bewust bleef ik omhoog turen. ‘Nou?’ vroeg hij. Hij werd een beetje ongeduldig. ‘Je zou somber kunnen zeggen’, zei ik een beetje mompelend. Het was het antwoord dat hij verwachtte, maar ik was te nieuwsgierig naar zijn oordeel. Hij was immers een deskundige.

‘Je zou het somber kunnen noemen’, en hij wees naar een klein lichtvlekje midden in die grauwe massa. ‘Maar dat daar is toch echt wat anders dan dat daar.’ Zijn vinger dook een stukje verder naar een donkere wolk. ‘Leg maar eens een puzzel van zo’n wolkendek en je ziet hoe verschillend dit is. Veel spannender dan die grote vlekken wit tussen dat helderblauw. Als je het grijs van het grijs kunt onderscheiden, dan zie je hoe spannend grijs kan zijn. Want er bestaat geen grijs.’