Bij het hardlopen aan het einde van de middag passeerde een jonge vader mij. Precies op dat moment hoorde ik de vader zeggen ‘Ajandaweg’. Achterop in het fietsenzitje passagierde zijn kleine dochtertje. Het kind van nog geen 2 streelde met haar knuistje over de billen van haar vader.

Ik liet de woorden nog eens rustig bezinken en vroeg me af wat dat stukje poëzie toch betekende. ‘Ajandaweg’. De klanken maalden door mijn hoofd en kregen langzaam betekenis. ‘Haal je hand daar weg.’ Dat had de man ongetwijfeld gezegd.

Het deed me denken aan die woorden in Middelnederlandse teksten. Ze worden gepresenteerd als een woord, maar in feite schuilt er een hele zin in. Dit wordt ook wel inclinatie genoemd, waarbij kleine woorden voor – proclisis – en achter – enclisis – een hoofdwoord ‘plakken’. Voorbeelden zijn frasen als kindine (‘kende hij hem’) of sagene (‘zag hem’) of sidi (sijt ghi of siet ghi).

Het maakte voor mij de ontleding van die teksten erg lastig. Maar als je klanken opschrijft zoals je ze hoort, dan treedt het effect onverbiddelijk op. Overigens heb ik lang getwijfeld of ik nu ‘ajandaweg’ of ‘ajandawach’ hoorde.