Het water stroomde als een riviertje door de straten van Den Haag. Terwijl de regen met bakken uit de hemel viel. Voor de meeste wandelaars viel hier niet veel meer aan te doen dan te schuilen. Mijn trein zou echter op het voorgeschreven moment vertrekken en ik maakte snel de afweging tussen een nat pak of later thuis. De uren zijn al zo kostbaar, zodat ik snel een wegwerpponchoo uit mijn tas hengelde.

Ik verkeerde in de veronderstelling dat dit ding mij wel tot mijn schoenen zou beschermen. Alleen kwam het flinterdunne plastic niet veel verder dan mijn knieen. Gelukkig zou het mijn rugzak wel droog blijven. Iets waar ik mij ergens meer zorgen om maakte.

Ik vocht een weg door al het vocht. Wat een regen viel uit de hemel. Mijn scheenbenen waren in no time doorweekt en ik voelde mij al snel een verlopen kat. Het water stroomde over de straat. De tramsporen fungeerden als gootjes. De goten liepen vol. Het water kon alleen maar de lager gelegen plekken opzoeken. Dat was de enige mogelijkheid die restte.

De afloop van het verhaal kan ik niet vertellen. Ik liep het station binnen en zag al mijn trein nog staan. Toen mijn trein het station uitreed, was het droog. Alsof het vanzelfsprekend was.