We stonden met de trein stil voor een wissel die niet werkte. Naast de trein waarin ik zat, stond een trein opgesteld die een iets minder florissante nacht had gehad. Alles, maar ook echt alles was dichtgespoten. De ramen boden geen uitzicht meer. Alleen de zilverkleur uit de spuitbus was nog te zien, met hier en daar een levensgrote letter van de spuitbuseigenaar.

Met kunst had dit weinig van doen. Dit zag er uit alsof een gefrustreerd konijn teveel spuitbussen in de aanbieding had gekocht en moedwillig tegen een willekeurig treinstel had leeggespoten. Een verwondering over de krankzinnigheid en hoe je een trein helemaal buiten bedrijf krijgt, maakte zich van mij meester. Ik trof eens in Leiden een graffiti-kunstenaar aan die eens vertelde over zijn kunstenaarsverleden. Dat je zo mooi mogelijk een trein probeerde te versieren en dan de hele dag op jacht was naar jouw trein. Je wilde hem hoe dan ook in het wild spotten en op de foto zetten. Deze trein was niet te spotten, want hij kon niet rijden. De reizigers zouden in het donker zitten en de machinist kon niks zien. Kan ik voor het ene nog enig begrip opbrengen, het andere is een vorm van crimineel gedrag: iets moedwillig kapotmaken. Dat verdient nooit enig respect.