Dode vis in Hofvijver

‘Wat bent u aan het doen?’ Ik hang over de balustrade van de Hofvijver en richt het fototoestel van mijn mobieltje op een berg rommel in het water. ‘Maakt u een foto?’ Ik draai me om en zie een meisje van een jaar of 15 op me aflopen.

Ze draagt een zwarte hoofddoek, strak om het hoofd gebonden. Het haar is zo dichtgedrukt dat het lijkt of onder de hoofddoek geen haar zit. De nek en hals zijn zo bedekt door de zwarte stof, dat geen haar te zien is. In haar hand houdt ze een mobieltje vast dat van achteren een zwartwit motiefje heeft. Gevlekt zoals bij een koe.

‘Is er iets bijzonders.’ Ze buigt net als ik een eindje over de balustraderand heen en kijkt het water in. Aan de rand van de rommel drijft een opgezwollen vis. Hij ligt op zijn zij. De staart zakt een eindje in het water. De kop aan de andere kant is eveneens naar beneden gknakt. Alleen het midden bolt een eindje omhoog en komt daarmee iets boven de waterspiegel uit. ‘Een dode vis.’ Ze houdt haar mobieltje voor zich. Misschien dat de koeienhuid aan de achterkant een foto maakt of een filmpje opneemt.

‘Ik hou ook van foto’s maken’, zegt ze. Haar ogen zijn zwaar opgemaakt en kijken mij brutaal, eigenwijs en nieuwsgierig aan. ‘Wat zit u mij aan te kijken’, zegt ze met een verwijt in haar stem. ‘Vindt u mij knap of zo?’

Ik geef haar een meewarige blik cadeau, draai me om en loop rustig weg. Een vis is op de foto gezet en een besluierde bakvis aangehoord.

Dat is wel genoeg op 1 dag.