Het orgel van de Evangelisch-Lutherse kerk uit 1970 dat Dick Troost bespeelde

In de Evangelisch-Lutherse kerk gaf de vaste organist van deze kerk, Dick Troost, een demonstratie van zijn instrument. Het is een orgel van Pels & Van Leeuwen uit 1970. Het instrument bezit van origine een sterk neo-barok karakter dat in de loop van de jaren zeer gunstig is omgebogen naar een veel karakteristiekere klank. Zo heeft het orgel in 1989 en 1993 diverse kleine wijzigingen ondergaan en is het in 2007 uitgebreid met een nieuwe dulciaan en op het pedaal een fagot.

Ik kende het orgel alleen van een cd met Nederlandse Koraalkunst na 1945 die Dick Troost in 1993 uitbracht. Hierop klinkt het instrument heel aardig, maar gisteren merkte ik dat de wijzigingen van 2007 het orgel heel veel goed hebben gedaan.

Dick Troost weet daarnaast alle stemmen zo te combineren dat hij het meest optimale resultaat uit dit orgel weet te halen. Hij maakt hierbij ook gretig gebruik van de deuren voor het borstwerk die hij kan openen en dicht doen met behulp van een trede. Dit moet wel voorzichtig en ‘met beleid’ gebeuren, benadrukte hij gisteren toen een gastspeler na het concert even op het instrument wilde spelen. Dick Troost speelde Spaanse muziek uit de 17e eeuw en Noord-Duitse muziek uit de 18e eeuw. Maar het best kwam het instrument tot zijn recht bij de werken van Christian Finck (1831-1911) en Otto Heinermann (1887-1977).

Vooral de koraalbewerking op ‘Schmücke dich, op liebe Seele’ van Christian Finck klink erg goed op het Pels & Van Leeuwen-orgel. De fluiten van het orgel kwamen hierin optimaal tot uitdrukking. De associaties met Bachs beroemde bewerking op hetzelfde koraal waren overal in het werk van Finck te horen, maar op geen enkel moment kwam dit vervelend over. Sterker nog, hij verwees uitvoerig naar dit werk door van zijn bewerking ook een trio te maken en daarnaast de pedaalpartij bijna op dezelfde te manier op te bouwen.

De langere bekers van de nieuwe dulciaan, het enige tongwerk op de manualen, hebben de mogelijkheden van dit instrument enorm uitgebreid. In combinatie met het openen en sluiten van de borstwerkdeuren, levert dit heel veel nieuwe klankkleuren op. Het register leent zich goed voor een uitkomende stem, maar mengt zich ook perfect in het tutti als het hoofdwerk aan het borstwerk gekoppeld is. De wijzigingen aan het orgel demonstreren dat er best na de bouw van een instrument aan een orgel ‘gesleuteld’ mag worden. Het moet wel gebeuren binnen de klankwereld van het orgel en met respect voor de bouwer.