Krakeling of surrogaat?

In de oorlogsboeken van Piet Prins en K. Norel die ik als kind las, werd ik altijd gegrepen door het woord ‘surrogaat’. Het woord hing nauw samen met de schaarste aan artikelen en de dingen die op de bon waren. Vanwege de geringe hoeveelheid echte koffie en chocolade werden artikelen geproduceerd die op deze artikelen leken. In de boeken van Piet Prins en K. Norel was dit spul niet te lekker en deed zelfs niet in de verste verten aan het echte artikel denken.

Vooral de sigaretten moeten in deze boeken ontgelden, want roken is stoer. De personages paffen zich een ongeluk aan gedroogd stro en ander neptabak. Het is smerig, maar roken is stoer. Daarom liepen ze maar met gedroogde turf in een papiertje gewikkeld, waar het vuur welig in fikte en de longen in brand zette.

Dat we zelfs in deze tijd van weelde ons moeten behelpen met surrogaat bewijst de slechte kwaliteit koffie die ik op menig werkplek te verwerken kreeg en krijg. Het doet in de verste verte zelfs niet denken aan koffie. Welke variatie ik ook op het automaat intoets, het levert altijd dezelfde smurrie op. Er is zelfs binnen de graad van niet lekker, geen onderscheid te maken tussen de vele soorten die het apparaat ophoest.

Vanmorgen dronken we een lekker kopje koffie met iets erbij in het café van de nieuwe bibliotheek van Almere. Naast het kopje koffie lag ook een koekje. Bij Inge’s kopje lag een ‘krakeling’. Dat schept verwachtingen. Wij verwachtten een koekje dat gemaakt is van dun plaatdeeg, met een mooie krul. Een koekje dat kraakt – dat vermeldt het WNT ook in haar definitie van een krakeling – en dat uit elkaar valt bij elke hap die je erin neemt.

Tot onze verbazing kwam er echter een zacht koekje uit dat alleen de vorm van een krakeling bevatte. Geen kraken, geen kruimels en geen suikerkorrels. Is dat nu surrogaat of speelt de fabrikant met een naam en een vorm?