De rij bij de kassa was lang en er klonk een zacht plofje. Kort erop volgde een verlegen: ‘o’. Ik keek op bij het stapeltje boeken waar ik stond. ‘Nieuw binnengekomen’ hing er op een geel kartonnetje boven. Het tweede deel van de Verzamelde werken van Erasmus hield ik in mijn hand. Ik zweefde bij het bladeren ergens tussen de Lof op de geneeskunst en de Lof de Zotheid. Op de grond lag de fruit smootie.

De aardbeiensiroop verspreidde zich langzaam maar zeker over de tegels vlak voor de kassa. ‘Wat is er dan?’ vroeg de jongen achter de kassa. ‘Mijn drinken is gevallen’, zei het meisje. ‘Sorry, het spijt me heel erg’, zei de vrouw die naast haar stond. Blijkbaar had de vrouw per ongeluk het flesje omgegooid. ‘Geeft niks’, de toon waarmee ze het zei klonk vol verwijten. ‘Wel jammer’, zei de vrouw. ‘Het is inderdaad jammer’, zei het meisje. ‘Ik dronk er expres niet uit omdat ik bang was dat ik zou knoeien.’

Ze keek de vrouw nog een keer indringend aan. Die knipte al met de portemonnee in de hand en het bleef onduidelijk of ze hem nu klaar had voor het meisje of om de boeken af te rekenen. ‘Maar het geeft niks.’ De jongen hing half over de toonbank heen, maar zag niks. ‘Mijn beker met fruitdrank is omgevallen’, zei het meisje. De ergernis klonk nog altijd na. Dat zij het drinken op de plek had neergezet, kwam niet aan de orde. ‘Heeft u misschien een doekje’, vroeg ze. ‘Kan er niet iemand even naar achteren om iemand te halen’, vroeg de kassamedewerker naar de groeiende rij mensen bij de kassa.

Zijn collega kwam er aan. Het meisje zette haar pruillipje weer op. ‘Sorry’, zei ze. ‘Het spijt me zo.’ ‘Ja, het is jammer van de vitamines’, merkte de collega op. Ze pakte het plastic bekertje op. Het rietje viel in het aardbeienplasje. De vrouw liep met de beker naar achteren om een nat doekje te halen. Het boek van het meisje was ingepakt dor de jongen. Het meisje betaalde. De boeken gingen in één van de grote tassen die het meisje droeg. ‘Het spijt me zo’, zei ze. Ze keek nog even naar de plas vitamines, draaide zich om en liep de winkeldeur uit.

De vrouw die de verwijten had gekregen, stond nu bij de kassa. Ze hield een boekje vast dat ingepakt was. De tranen stonden in haar ogen, het leek of ze ieder moment in een hard huilen zou uitbarsten. ‘Meneer’, zei ze. Ze trok hetzelfde pruillipje als het meisje voor haar. ‘Het spijt me zo, maar ze heeft dit boekje al.’ Uit het inpakpapier viel een boekje. Het vertrek van de mier stond op de rug van het boekje. ‘Heeft u misschien een boekje van Carry Slee?’ De jongen schudde met zijn hoofd, graaide met zijn vingers in het bakje van de kassa en gaf haar het geld van de dubbele aankoop. ‘Dank u wel’, zei ze. Het pruillipje verdween met het geld in haar zak en ze liep trots de winkel uit.