We zagen het avond worden vanuit de trein. De zon maakte plaats voor de maan en aan het firmament verscheen een heuse ster. Heel duidelijk in beeld, reisde de ster met ons mee. We tuurden met de neus tegen het raam en schermden het licht uit de trein af met onze handen. Doris wees me op de ster. ‘Kijk dat is het sterretje Oma Almelo.’

Na de crematie van Oma Almelo vertelden we Doris dat oma een sterretje was geworden. Omdat het zomer was en de duisternis ver na het bedtijdstip intrad, lukte het pas maanden later om de juiste ster te vinden. Doris koos de meest heldere uit, duidelijk zichtbaar en de ster danste een beetje als je je ogen dichtkneep. ‘Dat is Oma Almelo’, zei ze en ze zwaaide naar de hemel.

Zaterdag zaten we terug van Sinterklaas in de trein naar Almere en zagen dus de maan en die ene ster aan de hemel staan. Nadat we uitgebreid naar de ster hadden gekeken, waarbij de ruit voortdurend besloeg, keek Doris even naar de maan. ‘Papa.’ De intonatie van haar stem verried dat er nu iets interessants ging komen. ‘Als iemand doodgaat, dan wordt hij een sterretje, hè?’ Ik knikte bevestigend. ‘Papa.’ De vraag ging een vervolg krijgen. ‘Kan iemand ook de maan worden?’

Een interessante vraag waar ik zoeven geen antwoord op kon verzinnen. Er restte mij niet veel meer dan de vraag weer terug te geven. ‘Dat is een hele goeie vraag’, hoorde ik mijzelf zeggen. Doris was niet tevreden met het antwoord en vroeg het gewoon nog een keer: ‘Papa, wie is de maan?’

Ik keek nog eens goed naar die koning van de nacht, de heerser over alle sterren, die alleen de meest sterke sterren de kans gaf om te schijnen. De volle maan ontnam alle andere sterren de mogelijkheid om zich te laten zien. Alleen de ster van Oma Almelo blonk en danste in de schaduw van de maan. ‘Harry Mulisch‘, mompelde ik stuurs in de richting van de maan. ‘Wat zeg je papa?’

Ik hervatte me snel. ‘O niks. Ik weet het ook niet wie de maan is.’