Het buurmeisje belde aan, de deur open en ik zag aan de enveloppe hoe laat het was. De kinderpostzegels werden uitgereikt. Een leuk moment natuurlijk, het uitdelen van de kinderpostzegels. Het buurmeisje had een vriendinnetje meegenomen.

Uit de enveloppe toverde het buurmeisje een stapeltje nieuwe enveloppen waar die van ons ook tussen zat. Ik kreeg de juiste enveloppe, bedankte en wilde de deur alweer dicht doen. ‘Nee’, zei het andere meisje snel. ‘U moet nog uw handtekening geven.’ Het buurmeisje knikte. ‘Anders mogen wij u de enveloppe niet geven.’

Ik zag weer voor me hoe ik de hele buurt afzeulde met kinderpostzegels. Eerst het werven van al die buren om een paar zegels te kopen. Die buren kenden mij ook van de sponsorloop en acties voor Afrika. Nu voor de kinderpostzegels. Eerst proberen de kaarten of de postzegels te verkopen, meestal was het tonen van de enveloppe voldoende. Soms probeerde je er nog iets bij te verkopen. Het invullen van het lijstje en dan het afscheuren van het zegeltje waarmee andere kinderen lieten zien dat ze al voorzien waren.

Als na een paar uur slenteren over straat en nog eens proberen ‘s avonds, de lijst vol was – tenminste dat was mijn streven altijd – dan kon ik de boel op school inleveren. Een enorme administratie volgde. Heeft iedereen zijn formulier ingeleverd en is alles juist ingevuld. Ook veel gedoe met muntjes, het geld, natellen en de opbrengst die nooit overeenkwam met wat er op het formulier stond. Zelfs met goed rekenonderwijs redde je het niet.

Een paar weken later mocht je de vruchten plukken en bracht je bij iedereen de bestelde kaarten en postzegels. Opa en oma mochten wat langer wachten, die kregen het de volgende keer dat je op bezoek kwam. Soms meerdere avonden achter elkaar over straat zwerven omdat die mensen van het hoekje niet thuis gaven. Veel geleur, maar een heel tevreden gevoel.

Dat tevreden gevoel heb je ook als je aan de andere kant staat, merk ik vanavond.