Het verwijt dat Geert Wilders geen goed antecedentenonderzoek heeft gedaan bij zijn kandidaten kan worden doorgetrokken. Want zijn de recente ontdekkingen rond kamerleden van de PVV nu een verdienste van de journalistiek? Ik vraag mij af of de dingen rond de PVV’ers Eric Lucassen, Richard de Mos en James Sharpe werkelijk door de journalistiek zijn ontdekt. Ik denk eerder dat hier de media meedeinen op een hetze.

Op het moment dat Wilders zijn kandidatenlijst presenteerde, hadden de media kunnen graven in het verleden van de kandidaten. En niet onbelangrijk, in hoeverre rijmt het verleden van de PVV’ers met de opvattingen van Wilders?

Het is een taak van de journalistiek om vragen te stellen bij vanzelfsprekendheden. De vraag waarom Wilders destijds deze mensen koos, is nooit gesteld. Net als de vraag wat deze mensen zouden kunnen bijdragen aan het soort politiek dat Wilders voorstaat. Dezelfde soort artikelen zijn ook niet in Almere verschenen. Terwijl de kiezer recht heeft te weten op wie hij stemt en waar deze mensen voor staan.

De timing van de bevindingen rond Lucassen en Sharpe is dan ook uiterst ongelukkig. Juist op essentiele momenten als een formatieproces, maar ook de periode voorafgaand aan de verkiezingen zouden kranten en televisie veel meer hun eigen bevindingen en onderzoeken moeten publiceren. In plaats daarvan drijven de media op het aanbod van persberichten en ander voorgekookt nieuws.

Voor mij toont deze hele affaire dat de journalistiek zelf onderzoek moet doen op een moment waar lezers en kijkers wat aan hebben. De verkiezingstijd biedt hier een heel goede kans voor.