Interessant verhaal over de subsidiestromen van het Fonds voor de Letteren op de ongenadige weblog geenstijl.nl. Ik heb nooit een hoge pet op gehad van dit subsidiepotje voor schrijvers die anders niet rond kunnen komen. Voor mij ligt nog altijd een prachtige roman in de planning over dit onderwerp. Misschien leent zich daar de tijd meer en meer voor. Ik vertelde een schrijver eens van mijn plan om het fonds en de subsidies eens ongenadig op de hak te nemen. Het lijkt immers op een bolwerk waarbij vriendjes zichzelf en andere vriendjes wat geld toestoppen.

Op zich heb ik niks tegen geld toestoppen, maar vrienden die elkaar zo in leven houden dan schiet het in mijn verkeerde keelgat. Ik vertelde de schrijver van mijn plannen. Nu zijn schrijvers nooit happig op romanideeën of alleen om er zelf mee vandoor te gaan. Hij vond het maar niks. ‘Wie weet heb je ze ooit een keer nodig.’ Ik heb ze nog niet nodig gehad, maar hij heeft ze gebruikt voor een roman die niet verschenen is. Dat staat in het jaarverslag van 2008. Maar hij heeft er wel 40 mille mee binnengehengeld. Overigens lijkt ook hier de schrijver zelf een advies te geven over de subsidie die hij aan zichzelf verstrekt, wat geenstijl ook opmerkt.

Mijn theorie is dat alle grote schrijvers zo’n fonds niet nodig hebben. De wereld is vergeven van de miskende geniën, maar het echte genie laat zich niet ringeloren door een fonds. Hij weet zichzelf wel in zijn onderhoud te voorzien. Het verklaart gelijk waarom ik nog geen poging heb gedaan tot het uitgeven van een roman. Maar misschien is de tijd nu echt rijp.