De trein reed het perron binnen op de geplande tijd. Aan de overzijde stond het andere treinstel naar Schiphol te wachten. De kou dreef de overstappende reizigers nog sneller van het ene treinstel in het andere. Het leek wel of iedereen uit het andere treinstel stapte en deze trein moest hebben.

De twee mannen hadden elkaar bij Almere Muziekwijk getroffen. Hij zat al in het treinstel en de andere struinde de zitplaatsen af. Blijkbaar hadden ze achterin het voorste treinstel afgesproken, want de man zat er al. Ze zeiden elkaar gedag en kletsten wat over het weer. De kou die nu eindelijk zijn intrede deed en het duister dat nu echt om zich heen greep.

In het nieuwe treinstel zaten ze weer tegenover elkaar. Net eender als eerder. ‘Ik moet nog hoop doen’, zei de ene met een pet op.’ ‘Praat me d’r niet van’, zei de andere. ‘Sauzen, witten, dan komt me dochter weer met een klussie. Altijd is er wel wat.’ De petloze knikte. ‘Maar jij moet toch ook nog schilderen, zei je laatst?’ De petloze knikte nogmaals. ‘Binnen, buiten?’ hengelde hij verder. ‘Buiten.’ ‘Maar dat is ook een rotwerk. Moet je daar nog aan beginnen?’ ‘Nee, goddank volgend jaar.’ De petloze was het gezemel over alles wat er nog moest gebeuren zat. ‘Hou d’r maar over op’, de petloze tuurde in het donker naar zijn spiegelbeeld.

Geen woede, ergernis of de minste vorm van irritatie in zijn stem, maar de rest van de treinreis bleef het stil.