De kat Kiet was weg. Een paar dagen had het dier zich niet laten zien in huis. De eigenaresse van Kiet vreesde het ergste. De kreet op facebook klonk in elk geval best verontrustend. De kreet van terugkeer van de verloren zoon, des te harder: ‘HIJ IS TERUG! na drie dagen. hij ziet eruit alsof hij honderd kilo is aangekomen. voorlopig mag hij niet naar buiten. ben nog steeds erg beledigd.’

De discussie die daarna loskwam was niet te stelpen. Ongetwijfeld zou het dier zijn heil hebben gezocht bij de buren en zich vet hebben laten mesten met hele leverworsten, kapitein Iglo’s en andere dikmakers. Al vaker was Kiet van huis geweest en dan rook hij vreemd. De vreemde lucht die hij verspreide deed een aangename date bij de buren vermoeden. Al keerde hij voorgaande keren wel iets eerder terug van zijn tweede huis.

Ik moest onmiddellijk denken aan een kattenverhaal van Simon Carmiggelt.
Het komt uit zijn kattenverhalenbundel Poespas. Overigens bestaat de bundel voor meer dan de helft uit niet-kattenverhalen maar dit terzijde. Ik heb mij de avond van het bericht rot gezocht om het verhaal niet alleen voor de geest, maar vooral voor de letter te halen.

Carmiggelt schrijft over katten die het huis verlaten en een bestaan op straat verkiezen. Hoe deze dieren overleven, is hem ook een raadsel. Tot hij een bezoek aan zijn tante brengt, want dan wordt hem veel duidelijk. Ze toont hem Arnold, het aanloopkatje. Een eufemisme zo blijkt. En dan volgt een beschrijving van Arnold zoals alleen Carmiggelt deze kan geven:

[D]e kater, die zij, zwaar overblousend, in haar handen hield, had de afmetingen van een voldragen kalf. Wat mij trof was de gelatenheid waarmee het dier in de even dwaze als ongemakkelijke houding bleef hangen, zonder ook maar in het minste tegen te stribbelen. De blik die hij mij toezond, was tot de rand gevuld met wijsgerige versterving en het scheen of hij zeggen wilde: ‘Zo, moet jij me ook eens bekijken? Je gaat je gang maar hoor. Mij zal het allemaal een zorg wezen.’ (188)

En het is Arnold een zorg. Als hij maar eten krijgt. Elke ochtend en middag komt hij op exact hetzelfde tijdstip bij Carmiggelts tante langs. ‘Je kunt er de klok op gelijk zetten’, volgens de tante. Als Carmiggelt een paar weken later weer op bezoek is, vraagt hij naar Arnold. Maar daar wil de tante niks meer van weten. ‘Die laat ik er niet meer in.’ Ze was namelijk een keer op bezoek bij een buurvrouw en zag Arnold liggen. ‘Hé, dat is Arnold’, had ze gezegd. ‘Nee, dat is Piet’, kreeg ze als reactie. Piet kwam elke dag, maar dan een uurtje eerder dan bij de tante.

Een onderzoek in de buurt leerde dat Arnold bij meer buren dagelijks visiteerde. De kater leidde een vierdubbel leven en kreeg van allevier de dierenliefhebbers de bons. Het verhaal eindigt zoals eveneens alleen bij Carmiggelt kan:

Later op de middag zag ik hem door het keukenraam nog even over het plat lopen. Hij had de voze tred van iemand die na een overdadig leven tot armoede is vervallen, maar de blik in zijn koude, ronde ogen zei me dat hij wel iets nieuws zou weten op te bouwen. Want tegen cyniek is nu eenmaal geen kruid gewassen. (190)

Het verhaal van de vriendin die haar kat een paar dagen kwijt is en dubbel zo dik terugkrijgt, brengt mij zo even terug in die bundel dierenverhalen van Carmiggelt. Prachtig geschreven, want Carmiggelt geeft de dieren in zijn sterke beschouwingen altijd iets menselijks mee. Hij doet dat zo goed dat je dat niet eens in de gaten hebt. Ik denk ergens zelfs dat Kiet gewoon bekend is met de kattenverhalen van Carmiggelt.

De citaten komen uit Simon Carmiggelt: Louter leugens & Poespas, Amsterdam: De Arbeiderspers, 1997.