Op de plek waar ik ging zitten lagen twee zwarte handschoenen. Eentje half onder de man die naast mij zat en de andere moffelde ik tussen onze benen. Ik dacht dat ze hem behoorden en ik wilde hem niet storen in de slaap. Af en toe ging een oog open als de trein vaart minderde. Ik typte wat tekst op mijn EEE.

De trein minderde vaart. Het glas van Amsterdam RAI suisde voorbij. Het wordt zo’n mooie tunnel van licht waarin het schijnsel van de trein zo grappig terugkaatst. De uitstappers voor Amsterdam Zuid begonnen al onrustig te schuifelen. Ik was al naar de uitgang gelopen en zag bij het weglopen de slaper die naast mij zat ook opstaan. De twee zwarte, gebreide handschoenen lagen nog op de stoel.

Ik wilde hem waarschuwen maar vond het teveel moeite. Hij ging al zo achteloos met die dingen om toen hij naast mij lag te slapen.

Een moment later liep ik vooruit op het perron naar de juiste uitgang. Het is een lange weg waarbij je het hele perron af loopt. Alsof hier weleens treinen stil staan van een halve kilometer lengte, want zover lijkt het eind over de tegels met bruingele steentjes wel. Ik werd ingehaald door een man. Hij tikte op mijn schouder. ‘Meneer uw handschoenen.’  Hij hield ze zorgvuldig in zijn hand vast. Ik keek verbaasd terug. ‘Maar u zat toch net naast mij. Met die laptop.’ Ik knikte. ‘Maar het zijn niet mijn handschoenen.’

Hij keek me nogmaals aan. ‘Zijn het echt niet uw handschoenen?’ ‘Nee, ze zijn niet van mij’, antwoordde ik. Hij schudde zijn hoofd en passeerde mij. Bij de vuilnisbak vlak voor de trappen die naar beneden gaan, stopte hij en wierp de gebreide handschoenen in het zwarte gat.